Lezen in de vakantie #6

De vakantie begon prachtig met de voorstelling De revolutie van de Rinsema’s in Nij Beets. Zo’n 100 jaar geleden was Drachten het kloppend hart van de Dada-beweging in Nederland. Theo van Doesburg, Marcel Duchamp en Kurt Schwitters kwamen op bezoek bij de gebroeders Rinsema, schoenmakers en kunstenaars.

Het publiek keek met een schuin oog naar de dreigende wolken, maar werd meegesleept in een heerlijke voorstelling met Orkater-muziek, fraaie beelden, goed getroffen Dada-kunst en verrassend spel. Zo speelde Reneé Soutendijk (die kennen we toch alleen van haar filmrollen) de schilderes Jeanne Bieruma Oosting die in dezelfde tijd begon met schilderen. Grote verschil was dat zij in het rijke Beetsterzwaag in het landgoed Lauswolt opgroeide en Drachten/Nij Beets grote armoede kende. Het speelde allemaal mee in een fijn begin van het zomerseizoen.

Jan Eijkelboom was een dichter uit Dordrecht, laat gedebuteerd, met glasheldere gedichten. Ooit heb ik een stapel losse bundels cadeau gekregen, waarschijnlijk omdat de gulle gever het verzameld werk had gekocht en ruimte in zijn boekenkast wilde. Heel plezierig om te lezen, de gedichten lopen mooi, ook door het niet erg opvallende klinkerrijm. Zo rijmt ‘grote’ op ‘lopen’, dat valt minder op dan het vollere rijm dat bijvoorbeeld Leo Vroman hanteert, maar het werkt wel.
In Nooit het hele hart (Kees ’t Hof), de biografie van Eijkelboom lezen wij over zijn moeizame leven, met veel, heel veel drank.

Hotel Schiller (Marjolein Bierens) beleefde zijn glorietijd in het interbellum: iedereen wist het hotel aan het Rembrandtplein te vinden. Hotelier Frits Schiller was zelf kunstenaar en was dus redelijk coulant tegen schilders die een kamer huurden. Na de bloei en bijbehorende verhalen (Jean-Louis Pissuisse en zijn vrouw werden vermoord toen ze net hadden gegeten in Schiller en naar de overkant van het plein liepen) kwam de oorlog en de neergang. Nu is alleen Café Schiller er nog, met aan de muur schilderijen van grootheden van lang, lang geleden.
Heerlijk boek met véél illustraties. Het deed denken aan het boek dat Jan Brokken vorig jaar uitbracht over Hotel Spaander in Volendam, ook zo’n verzamelplek voor schilders.

En omdat Jan Brokken in hoog tempo publiceert, kon zijn nieuwe verhalenbundel De weemoed van de reiziger mee op vakantie. Net als bij zijn boek over Volendam mis ik op vakantie internet om van alles op te zoeken en te beluisteren. Na het verhaal van Brokken Liefde is een fluisterstem neem ik me voor de gedichten van Leo Vroman eindelijk eens goed te gaan lezen, zijn 262 Gedichten staan al heel lang in de kast. Vooral de tijd die Vroman in het jappenkamp doorbracht, raakt Brokken.

Niet verwonderlijk, in De kampschilders, het derde boek over zijn ouders en hun geschiedenis, schrijft hij over hun kampjaren in Celebes. Het is niet alleen een persoonlijk verhaal, maar ook een helder beeld over de tijd vóór en ná de oorlog. Ik wist niet dat Bali voor de oorlog een soort schildersparadijs was waar veel kampoverlevenden weer naar terug wilden. Door  de onafhankelijkheid van Indonesië was dit onmogelijk. Dan maar terug naar Nederland om daar met een kamptrauma je leven weer op te pakken. (Voor een documentaire over Jan Brokken die Celebes bezoekt, klik hier.

Stille sneeuwval (Junichiro Tanizaki) beschrijft de teloorgang van een Japanse familie in de jaren 30 en begin 40. Centrale probleem: het vinden van een geschikte man voor de derde dochter. De oudste twee dochters zijn getrouwd, en de oudste schoonzoon is daarmee hoofd van het gezin geworden, dus alle koppelpogingen gaan via een oudere zus die dan weer goedkeuring van het gezin moet krijgen. Alleen is de dochter die zou moeten trouwen zó verschrikkelijk verlegen dat het telkens misgaat. De vierde dochter moet natuurlijk wachten tot haar oudere zus is getrouwd voordat zij ook kan trouwen, maar zij trekt zich weinig aan van die strenge regels.

Als je leest over die verfijnde Japanse cultuur, met subtiele poëzie, esthetische kleding en liefde voor de natuur, is het schokkend om daarna herinneringen aan een jappenkamp te lezen. Hoe is het toch in vredesnaam mogelijk dat een volk aan de ene kant een jaloersmakende cultuur heeft en aan de andere kant onvoorstelbare wreedheden begaat? Misschien omdat Japan zichzelf zoveel hoger inschatte dan andere landen/volken en die wreedheden daarom liet gebeuren en er achteraf nog steeds andere ideeën over heeft dan de slachtoffers van die jaren.

In Mevrouw Bentinck (Hella Haasse) wordt ook naar een geschikte huwelijkskandidaat gezocht voor de piepjonge Charlotte Sophie van Aldenburg. Zij was van adel en in het Duitsland van de 18e eeuw was het dan natuurlijk de bedoeling dat er een jongeman, óók van adel, uit een rijke familie, werd uitgezocht om de familie en het familiebezit in stand te houden. Dat lukte niet en uiteindelijk werd dan maar een Hollandse burgerjongen gekozen, Willem Bentinck, Charlotte moest niks van hem hebben, schonk hem één zoon en met haar minnaar en haar nicht belandde ze in een soort driehoeksverhouding. De omstandigheden zijn misschien te vergelijken met de Japanse gebruiken, Charlotte was iemand om rekening mee te houden, kwam op voor haar rechten, leidde een vol leven en was dramatisch en geestig in haar brieven. Toen was dat een handicap, nu zouden dat pluspunten zijn.
Hella Haasse kreeg de beschikking over een enorm archief van familiestukken en originele brieven (allemaal in het Frans) zodat er niet echt sprake is van een roman in de normale zin van het woord. Ze heeft er een zeer bijzonder boek van gemaakt.

Lord of the Flies (William Golding) is een heel ander boek. Als een groep kinderen op een onbewoond eiland terechtkomen, wordt er meteen een leider gekozen en bijbehorende regels. Er ontstaat tweespalt en het loopt niet goed af. Ter geruststelling: toen in 1965 een groep kinderen écht op een eiland belandde en een jaar lang moesten zien te overleven, werkten ze goed samen en waren gezond toen ze werden gevonden. Dit maakt het boek er niet minder beklemmend om.

Ooit vertelde iemand dat een kennis van haar op fietsvakantie ging en maar één boek mee kon nemen. Ze koos Gewassen vlees (Thomas Rosenboom). Lekker dik, dat leek een verstandige keuze. Het viel bitter tegen: de hoofdpersoon is een uiterst onaangenaam mens  en het wemelt van de uiterst onsmakelijke details. De arme fietster had een nare vakantie en kon in het land waar ze rondreed geen andere boeken in begrijpelijke taal vinden.
Tsja, geen sympathiek mens (wat voor etiket zou hij van een psychiater krijgen als die het boek wél uitlas?) maar dat is niet zo erg, een sympathiek romanpersonage verveelt al gauw. En die details? Ja, die zijn onsmakelijk en ik weet ze niet zo goed te plaatsen. De stijl van Rosenboom maakt veel goed, heel verzorgd, met een zeer uitgebreide woordenschat. En uiteindelijk lees je door want je wilt net als in zijn andere boeken weten hoe het afloopt.

Het bijzonderste boek dat ik las in de vakantie was De wisselwachter (Geert Mak). Harry Hopkins was adviseur van president Roosevelt, initieerde de New Deal om een eind aan de crisis in de jaren 20 en 30 te maken en was onmisbaar als tussenpersoon in de Tweede Wereldoorlog. Stalin mocht Hopkins graag.
Net als nu had Amerika problemen, maar in die tijd werd er toch meer gemeenschappelijk door Republikeinen en Democraten naar oplossingen gezocht. Geert Mak vertelt prettig en schuwt de details niet: Churchill begon tijdens het ontbijt met een glas sherry en dronk de hele dag door, iedereen rookte non-stop. Ook schetst hij duidelijk wat een gehaaide politicus Roosevelt was: hij deed niks tegen rassenrellen in het Zuiden, dat zou hem teveel kiezers kosten. Zijn vrouw Eleanor was een voorvechtster voor mensenrechten, dus dat compenseerde het weer een beetje.

Mak is een fijne schrijver van vakantieboeken, ik herinner me de vakantie aan de Dordogne (met veel leraren) waar je overal mensen voor hun tent In Europa zag lezen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *