Waarom lees ik biografieën? Nieuwsgierigheid naar de mens achter de schrijver/kunstenaar/artiest of gewoon platte sensatiezucht? Of is het een handige manier om erachter te komen wat je bijvoorbeeld wel en niet van de betreffende schrijver zou willen lezen? Soms is er na het lezen een neveneffect waar je geen rekening mee had gehouden.
Zo las ik jaren terug een Bulkboek met herinneringen van Pablo Neruda. In het gedeelte over zijn eerste jaren als dichter stond het verhaal van een dichter die overal een koe meenam, ook naar bijeenkomsten van dichters. Er werd van alles geprobeerd om de koe de toegang te weigeren, maar tevergeefs. De titel van die herinneringen (Ik beken, ik heb geleefd) onthield ik en jaren later heb ik ze gelezen. Het viel tegen. Wat een zelfingenomen kwast, die maar blijft vertellen dat hij voor duizenden mensen zijn gedichten heeft voorgedragen. Zijn Canto General, de dikke Rainbow-pocket met gedichten, bleef ongelezen in de kast staan. Het mini-boekje met de prachtige Friese vertaling van zijn Ode aan de ui (Oade oan’e sipel) heeft daar niets aan veranderd.
Iets vergelijkbaars had ik na het lezen van Op zoek naar het ongerijmde, de biografie van JanWillem van de Wetering (Marjan Beijering). Geen man voor wie je sympathie voelt. Boeddhist, maar principieel tegen het betalen van belastingen. Ik denk niet dat ik me enthousiast op zijn oeuvre ga storten.
De vorm-of-vent tegenstelling lijkt zo naar de vent-kant over te hellen. Vind ik iemand vervelend, dan zou ik hem/haar niet lezen. Maar zo simpel is het niet. Van Céline, een rabiaat antisemiet, heb ik ademloos Reis naar het einde van de nacht en Dood op krediet gelezen. Als we alleen maar boeken lezen van schrijvers die 100% deugen, zijn we natuurlijk gauw klaar.
In Groots en onbekommerd schetst Nico Keuning het leven van Belcampo. Iemand die het dagelijks leven als een soort noodzakelijk kwaad zag dat hem hinderde bij wat hij het liefste deed: zwerven en schrijven. Dat is natuurlijk minder prettig voor zijn directe omgeving, maar daar zullen meer partners en kinderen van schrijvers mee te maken hebben gehad. En ach ja, in het strenggelovige Rijssen, waar hij de ondergang van de wereld laat plaatsvinden (het grote gebeuren) werd pas na veel vijven en zessen een bospaadje naar hem vernoemd. Niet omdat mensen het zelf zo vreselijk vonden, maar ‘omdat anderen er moeite mee zouden hebben’. Tja, wat moet je daar nou mee. Al met al een goede reden om zijn verhalen weer eens uit de kast te pakken.
Misschien is dat het kenmerk van een goede (auto)biografie: je krijgt zin om (opnieuw) in het werk van de schrijver/artiest te duiken. Bovendien kun je dingen beter plaatsen. Goed voorbeeld zijn de dagboeken van Mensje van Keulen uit een moeilijke periode in haar leven. Een huwelijk dat op knappen staat, de wens om zwanger te worden, en door alle perikelen te weinig tijd om te schrijven. Dat is slopend voor een schrijver. Ze heeft het glashelder opgeschreven, en misschien ging haar carrière niet naar wens, haar dagboeken zijn de moeite waard. Dus naar de bibliotheek en de dikste verzamelbundel van haar verhalen meegenomen. De oudste verhalen kende ik nog, de latere niet. Na Bleekers zomer, Allemaal tranen en Van lieverlede was ik haar kennelijk uit het oog verloren. Zonde, want haar verhalen zijn erg goed. Geweldig oog voor detail, onheilspellend en grappig tegelijk. Het verhaal over haar verblijf op Curaçao, is na lezing van haar dagboek navranter. De mensen over wie het gaat zullen minder blij geweest zijn over de inhoud, maar een goede schrijver heeft daar maling aan.
Dat brengt ons bij Godfried Bomans, in Vleugelman schetst Gé Vaartjes een man die na een liefdeloze opvoeding een leven lang bevestiging en waardering zocht. Dat vond hij in lezingen voor lachgraag publiek, maar dat stond ook zijn serieuzere kant in de weg. Hij wilde af van zijn lollige imago, maar dat is lastig als je een lezing gaat houden en het publiek begint al te lachen als je binnenkomt. Freek de Jonge zei ooit dat het geluid van een lachende zaal verslavender is dan welke drug ook. Dat blijkt maar weer eens. Verder was hij slordig in zijn sociale (maar zeker niet in zijn financiële) afspraken, voelde de tijgeest van de zestiger jaren niet aan, had een reeks vriendinnen, en kwam door alle optredens en krantenstukjes niet toe aan zijn gedroomde grote roman. Belangrijkste boeken zijn achteraf zijn eerste werken: Pieter Bas, Erik of het klein insectenboek en Sprookjes. Die pakken we er binnenkort maar weer eens bij.
Marianne Faithfull tenslotte, eindigt haar autobiografie met haar recept voor kip met knoflook en citroen. Heel sympathiek, na een leven dat niet heel ordentelijk is verlopen krijg je het beeld van iemand die ondanks alle ellende de wereld recht in de ogen kijkt, zelfbewust en met humor. Dat is fijn om te lezen, natuurlijk ook omdat ze een geweldige zangeres was, kijk maar naar haar vertolkingen van het Kurt Weill-repertoire.
Conclusie: wordt je nieuwsgierigheid naar een schrijver/artiest bevredigd in een biografie, is het goed geschreven en biedt het informatie die het werk begrijpelijker maakt? Dan is de kans groot dat je verder leest, anders laat je in ieder geval die boeken liggen en heb je gelukkig tijd om een straatje verderop te kijken.
Foto’s: Belcampo, Mensje van Keulen, Godfried Bomans

