Pas achteraf besefte ik dat we in een bijzondere voetbaltijd waren opgegroeid: begin jaren ’70, toen Feyenoord en Ajax cup na cup wonnen. Dat het deels toeval was, wilde er niet in. Wij waren de besten, punt.
Door de biografie van Cruijff komt die tijd weer tot leven. Die filmbeelden van de jonge midvoor zijn nog altijd oogstrelend. Maar ook de hele ambiance: bij europacupwedstrijden liepen er zomaar fans en fotografen het veld op na een goal van Ajax. En als een agent uitgleed als hij een fan op het veld wilde afvoeren, lachte commentator Heman Kuiphof het hardst van allemaal.
Vooral zie je weer wat voor een geweldige voetballer hij is geweest. Snel, verrassend en brutaal. Later liet hij zich meer terugzakken uit de spits en liet het scoren aan anderen over. Voor zo iemand kijk je naar voetbal.
Maar in de biografie gaat het ook over andere zaken: zijn absolute wil om overal zijn zin te krijgen, zijn geldbelustheid, zijn gezin, vrienden en profiteurs. Was zijn karakter een handicap of juist niet? Zijn carrière telde tientallen kleine en grote conflicten. Als speler kon hij dan op het juiste moment een superwedstrijd spelen, als coach was dat een stuk moeilijker. Bovendien, niet alle spelers snapten de theorieën van JC.
Kok heeft een heerlijke biografie geschreven, vol bewondering voor Cruijff, maar is minder prettige zaken niet uit de weg gegaan.

